De functie van symbolische taal bij Johannes

Door Frans Cromphout in VBS-Informatie 19 (1988) 75-83

Het is niet onze bedoeling de betekenis na te gaan van de welbekende johanneïsche beelden als wijn, water, brood, herder, licht… Wij behandelen een breder vragenveld: Hoe spreekt Jezus in het vierde evangelie en waarom spreekt Hij zo? In het verloop van dit betoog zal hopelijk duidelijk worden waarom wij deze wijze van spreken als ‘symbolisch’ kenmerken.

Dat er met de taal van de johanneïsche Jezus iets aan de hand is, zegt het evangelie zelf met evenzoveel woorden. Deze taal is stuitend, luidt het na de Broodrede, wie kan nog naar Hem luisteren? (6,61). Een paar hoofdstukken verder neemt Jezus zelf dit motief op: Waarom verstaat gij naar mijn taal niet? Omdat gij naar mijn woord niet kunt luisteren (8,43). Tegen het einde van de afscheidsgesprekken zeggen de leerlingen: Kijk, nu spreekt Gij klare taal en gebruikt geen enkel beeld (16,29). Beeld is hier de vertaling van het Griekse paroimia. Een preciese vertaling van dat woord lijkt, blijkens de vertalingen die ik er op nageslagen heb niet gemakkelijk. Ik zou het als volgt parafraseren: “Nu spreekt Gij niet enigmatisch”. Het taalgebruik van Jezus in het vierde evangelie is inderdaad raadselachtig. Niet omdat Hij beelden aanwendt, dat doet ook de synoptische Jezus – en alle dichters en eigenlijk iedere taalgebruiker. In een eerste deel gaan we na waarin dat raadselachtige spreken dan wel bestaat. In een tweede deel zoeken we naar het waarom, naar de functie van dit taalgebruik.

HOE SPREEKT JEZUS IN HET VIERDE EVANGELIE?

Iedereen die ietwat vertrouwd is met het Johannes-evangelie weet dat daar vaak gebruik wordt gemaakt van ‘dubbele bodems’. Het was nacht (13,30) is tegelijk een tijdsaanduiding en een verwijzing naar Judas’ (on-)geloofssituatie. Die dubbele-bodemuitspraken treffen we niet zomaar hier en daar in het evangelie aan. Met enig recht zou je kunnen stellen dat het hele spreken van Jezus dubbelbodemig is; en daaraan ontleent het zijn typische raadselachtigheid. Bij wijze van (beperkte) steekproef gaan we een paar motieven na, die het eigenaardige spreken van Jezus in het licht stellen.

De ‘vanwaar-uitspraken’

Het vragende voegwoord ‘vanwaar’ (en de affirmatieve tegenhanger daarvan, b.v. ‘van boven’) komt in het vierde evangelie zeer frequent voor. We zien er van af hier ook de ‘waar-uitspraken’ (Waar Ik ben, daar zal ook mijn dienaar zijn 12,26) en de ‘waarheen-uitspraken’ (Waar Ik heenga, kunt gij niet komen 13,33) bij te betrekken. Het resultaat zou vermoedelijk hetzelfde zijn.

De tafelmeester in Kana weet niet waar de wijn vandaar komt (2,9), de Samaritaanse v;raagt zich af waar Jezus het levende water vandaan haalt (4,11). Jezus vraagt aan Filippus waar ze het brood vandaan zullen halen om de mensen te laten eten (6,5; in de Willibrordvertaling is het ‘vanwaar’ weggevlakt). Het verdere hoofdstuk 6 werkt het motief ‘vanwaar het brood?’ breedvoerig uit tot Jezus het uiteindelijk op zichzelf toepast: Ik ben het levende brood, dat uit de hemel is neergedaald (6,51).

Dit brengt ons tot een volgende reeks ‘vanwaar-uitspraken’ die ditmaal rechtstreeks over Jezus gaan. Hij is uit Nazaret (1,45.46), uit Galilea (7,41.52), de zoon van Jozef (6,42). Van deze man weten wij waar Hij vandaan is (7,27), zeggen de Jerusalemmers dus met enig goed recht; maar de ironie is in dat soort uitspraken nooit ver. In de polemiek met de blindgeborene zeggen de Farizeeën immers met evenveel of meer goed recht: Van deze weten wij niet waar Hij vandaan is (9,29). Inderdaad: want Jezus getuigt herhaaldelijk over zichzelf dat Hij uit de hemel is neergedaald (3,13; en hoofdstuk 6), van boven komt (3,31; 8,23). Hij is van God uitgegaan (13,3; 16,27-28; 17,18). Of, negatief uitgedrukt: Hij is niet van deze wereld (17,14), zijn koningschap is niet van hier (18,36). Dat wordt dan weer door de tegenstanders ontkend. Jezus is niet uit de hemel (6,42), niet uit God (9,16). Deze talrijke, meestal polemische uitspraken over de herkomst van Jezus worden afgesloten die tijdens het proces voor Pilatus, als de beslissende vraag stelt: Vanwaar zijt Gij? (19,9). Er komt geen antwoord op die vraag, omdat het hele evangelie dat :antwoord al gegeven heeft.

Die uitspraken botsen tegen elkaar aan. Enerzijds: Hij is uit Galilea, uit Nazaret. Hij is niet uit de hemel, niet uit God. Anderzijds: Ik ben van Boven, Ik ben uit de hemel, Ik ben van God uitgegaan. Tussen deze elkaar tegensprekende affirmaties wordt zelfs niet het begin van een brug geslagen, ze blijven massief tegenover elkaar staan. Jezus zelf doet geen enkele poging om die taalkloof te overbruggen. Dat is al het geval in het gesprek met Nikodemus. Als die Jezus’ uitspraak over het
‘geboren worden van boven’ verkeerdelijk verstaat als ‘opnieuw geboren worden’, gaat Jezus op zijn verzoek om uitleg niet in, maar doet (als Nikodemus geen vraag had gesteld) nu een verdere uitspraak over ‘geboren worden uit water en geest’ (3,4-5). Als de joden zich afvragen hoe Jezus kan zeggen dat Hij uit de hemel is neergedaald, repliceert Hij: Niemand kan tot Mij komen, als de Vader … hem niet trekt (6,44). Een uiteraard zwaarwegende uitspraak, die daarenboven precies de ongeloofssituatie van de joden tekent. Maar ingaan op hun vraag tot verklaring van zijn uitspraak doet Jezus daarmee eigenlijk niet.

Dit spreken kan symbolisch heten omdat het speelt met de dubbele betekenis die kan worden toegekend aan de vraag: Vanwaar is Jezus? Die vraag kan op twee niveau’s beantwoord worden. De gesprekspartners van Jezus (zijn tegenstanders, maar ook zijn leerlingen – over die laatste verderop iets méér) zijn niet in staat om tot dat tweede niveau toe te treden, de enen vanwege hun ongeloof, de anderen omdat ze de Geest nog niet hebben ontvangen. De beide niveau’s worden aangeduid in uitspraken als: Gij zijt van beneden, Ik ben van boven. Gij zijt van deze wereld, Ik ben niet van deze wereld (8,23). De kloof tussen Jezus en zijn gesprekspartners is een kloof tussen twee werelden, een kloof die zich ook manifesteert in het taalgebruik: Wie van de aarde is, behoort tot de aarde en spreekt de taal van de aarde (letterlijk vertaald: spreekt vanuit de aarde) (3,31). Dit symbolische spreken van Jezus kan niet anders dan tot misverstand, onverstand en afwijzing leiden. “De taal van Jezus vormt een niet te overschrijden barrière voor het verstaan van zijn boodschap”*

De ‘vader-polemiek’ in hoofdstuk 8

We kunnen hetzelfde mechanisme aan het werk zien in hoofdstuk 8, dat hoogte-(of diepte-)punt in de confrontatie van Jezus met ‘de joden’. Ook hier wijst Jezus op de kloof die Hem en zijn tegenstanders scheidt: Ik weet vanwaar Ik gekomen ben en waar Ik heen ga. Gij echter weet niet vanwaar Ik kom of waar Ik heen ga (8,14). En ook hier wordt duidelijk gemaakt dat daarmee een taalkloof of een taalbarrière verbonden is: Waarom spreek Ik eigenlijk nog met u? (8,25). Het gesprek is zinloos geworden. Het feit dat het gesprek daarna toch nog wordt voortgezet, staat in dienst van het johanneïsche symbolisch taalgebruik. Het verdere gesprek heeft als functie de onmogelijkheid van het gesprek in het licht te plaatsen. Waarom verstaat gij mijn taal niet? Omdat gij naar mijn woord niet kunt luisteren (8,43). Deze uitspraak staat ongeveer in het midden van een scherpe polemiek over de ‘vader’ van Jezus’ tegenstanders.

‘Vader’, dat betekent weer: waaruit, vanwaar is iemand? We overlopen deze polemiek vanuit de uitspraken van Jezus, die manifest de boventoon voert, slechts onderbroken door korte opwerpingen van zijn tegenstanders. Uit wie stamt gij werkelijk, vraag Jezus hen. Uit Abraham, beweert ge. Maar ge verricht de werken van Abraham niet, wel de werken van uw eigenlijke vader (wie dat is, wordt vooralsnog niet verduidelijkt): ge zoekt mij te doden. Gij beweert dat God uw vader is. Maar als dat waar was zoudt ge Mij liefhebben, want Ik ben uit God. Uw herkomst uit Abraham of uit God wordt gelogenstraft door uw gedrag. En dan valt het beslissende woord: De vader uit wie gij zijt is de duivel, en gij voert uit wat die vader u ingeeft. Net zoals Jezus de werken van zijn Vader verricht en zegt wat Hij van de Vader heeft gehoord, voeren zijn tegenstanders het werk van hun vader uit en spreken ze wat ze van hem hebben gehoord. Het werk van de duivel is: moord. De taal van de duivel is: leugen. Hier wordt het geheim, het principe blootgelegd van het blokkeringsmechanisme, dat de tegenstanders belet de taal van Jezus te verstaan. Zoals Jezus uit God is, zo zijn zij uit de duivel. Dan kan het geen verbazing wekken dat de gesprekken telkens weer dood lopen. Het gesprek in hoofdstuk 8 loopt uit op een moordpoging: Toen raapten zij stenen op om Hem te stenigen (8,59).

Op dit punt van ons betoog gekomen, vatten wij samen wat wij totnogtoe gevonden hebben: Jezus spreekt symbolische, dat is: enigmatische taal – en die taal werpt voor zijn gesprekspartners een onoverkomelijke barrière op. In het volgende zullen wij nagaan welke bedoeling de evangelist bezielt als hij zijn evangelie juist zo opzet. Maar vooraf moeten we, volledigheidshalve, kort iets zeggen over de reactie van de leerlingen op die taal van Jezus.

Appendix: de leerlingen en de symbolische taal van Jezus

We vatten het woord ‘leerlingen’ hier op in de brede zin: al zijn niet-tegenstanders. Na het teken van Kana geloven zijn leerlingen in Hem (2,11). De Samaritanen komen tot geloof (4,42) en evenzo de hofbeamte uit Kafarnaüm ( 4,53). Na de Broodrede en de daaruit voortvloeiende defectie van een aantal leerlingen, spreekt Petrus een geloofsbelijdenis nit (6,68). De blindgeborene gelooft in Jezus (9,38), en opvallend genoeg komt die geloofsherkenning tot stand, niet door een gesprek met Jezus, maar door de controverse met diens tegenstanders. Tenslotte is er Martha, voorzover ik het zien kan de enige die expliciet haar eigen taalniveau weet los te laten en dat van Jezus overneemt. Van de belijdenis van een ‘algemene’ verrijzenis op de jongste dag gaat ze, op Jezus’ uitnodiging, over naar de belijdenis dat met Jezus hier en nu het leven in de wereld is gekomen (11,24-27).

Dat geloven van de leerlingen staat evenwel nog in het teken van de voorlopigheid. Het is nog geen volgroeid geloof. Er is geen sprake van dat zij Jezus’ symbolisch spreken knnnen verstaan vóór de zending van de Geest (al is het wel waar dat Johannes in zijn evangelie de voor-en de na-paschale tijdshorizonten door elkaar laat lopen). Die werking van de Geest wordt op een paar plaatsen in termen van taal beschreven: Hij zal u alles leren … wat Ik u gezegd heb (14,26). Juist zoals Jezus niet uit zichzelf spreekt, maar verkondigt wat Hij van de Vader heeft gehoord, zo zal de Geest zeggen wat Hij van Jezus hoort: Hij zal niet uit zichzelf spreken, maar spreken al wat Hij hoort (16,13).

DE FUNCTIE VAN DE SYMBOLISCHE TAAL

Vrijwel nergens in het vierde evangelie is er iets te merken als een groei van ongeloof naar geloof. De fronten liggen definitief vast. Jezus spreekt zo, dat er op het niveau van de tekst (d.w.z. Tussen Jezus en zijn gesprekspartners) geen geloofsinzicht kan groeien. Waarom voelt Johannes de behoefte om, zestig jaar na Jezus’ dood, die geslotenheid en blindheid zo in de verf te zetten? Anti-joodse polemiek kan hier nauwelijks aan de orde zijn: in die tijd en binnen de situatie van de johanneïsche gemeente (waarop hier verder niet kan worden ingegaan) zou zo’n polemiek niet ter zake zijn. Wat is hier dan wel aan de hand?

Opdat gij ook zoudt geloven (19,35)

Komt er, zoals gezegd, op het niveau van de tekst geen taalgemeenschap tot stand tussen Jezus en zijn gesprekspartners, en dus geen openbaring van Jezus, het is de bedoeling van de evangelist dat die gemeenschap wel tot stand komt op het extratextuele niveau: tussen de tekst en de lezer. Die moet a.h.w. de schok ondergaan die teweeggebracht wordt door deze constante communicatie-stoornis-binnen-de-tekst. Het beklemtonen van de taalbarrière moet zijn aandacht wekken en hem aanzetten om die barrière te doorbreken. Het komt er op aan Jezus wél te verstaan, en het hele evangelie wijst hem er op dat dat niet zo vanzelfsprekend is. De lezer wordt uitgenodigd om te proberen wat de gesprekspartuers van Jezus niet hebben gekund: zich situeren op het spreekniveau van Jezus, binnentreden in zijn raadselachtig spreken. De binnen de tekst onbegrepen symbolische taal kan een verstandhouding tot stand brengen tussen de lezer en de johanneïsch sprekende Jezus. Woorden als ‘geboren worden’, ‘brood’, ‘nit de hemel zijn’ moet hij verstaan zoals Jezus ze bedoeld heeft. Die Jezus gebruikt zelf ook de ‘taal van de aarde’ (licht, water, brood … ) – hoe zou Hij ook anders kunnen? – maar daarin spreekt Hij over ‘de dingen van de hemel’. De bekende woorden krijgen een nieuwe, een openbaringsbetekenis. Wat voor joden en leerlingen versluierende taal was, kan voor de lezer openbaringstaal worden. Als er communicatie ontstaat tussen tekst en lezer, is er een gunstige voorwaarde geschapen voor dieper geloof. De taalgemeenschap met Jezus schept geloofsgemeenschap.

Daar komt het voor de evangelist op aan: geloofsgemeenschap. Meerdere keren lezen we bij hem de uitspraak: opdat gij moogt geloven. Wie zijn die ‘gij’? In een aantal gevallen de leerlingen (13,19; 14,29). Maar achter die leerlingen mogen we toch reeds de lezers van het evangelie vermoeden. Op twee plaatsen gaat het uitdrukkelijk over hen: na de kruisdood (opdat ook gij moogt geloven, 19,35) en in de slotzin van het evangelie: opdat gij moogt geloven dat Jezus de Christus is, de Zoon van God (20,31). Daar kwam het voor de evangelist op aan: dat zijn lezers zullen komen, niet van ongeloof tot geloof, maar wel tot bevestiging en verdieping van hun geloof, zodat ze sterk staan tegen de vijandige ‘kosmos’. Mogen we zeggen: de ‘humeis’, de ‘gij’ worden uitgenodigd om toe te treden tot de kring van de ‘hem eis’, de ‘wij’ ( cf. 1,14.16; 1 Joh. 1,1-4). Die toetreding wordt telkens weer tot stand gebracht door de taalgemeenschap met de symbolisch sprekende Jezus.

De eenheid van ‘logos’ en ‘sarx’

De symbolische taal van het vierde evangelie heeft nog een tweede functie, die overigens raakpunten vertoont met de eerste. Ze beklemtoont de onafscheidelijke eenheid van de historische, aardse Jezus en de (ook op aarde reeds) hemelse Jezus. Hij is uit Nazaret én Hij is van boven: Hij is de zoon van Jozef én Hij is de Zoon van God. De symbolische taal roept op om in de aardse wijn, het aardse brood dat Hij geeft, de hemelse gave te zien van het geloof in Hem. Er is bij Johannes geen dualisme, in de zin van een radikale tegenstelling tussen het aardse en het hemelse. De twee werelden die in het vierde evangelie radikaal tegenover elkaar staan, zijn eigenlijk niet ‘beneden’ en ‘boven’. De twee werelden zijn ofwel die, welke in de aardse verschijning van Jezus zijn heerlijkheid niet kan of wil zien (de wereld van het ongeloof), ofwel die, welke in het aardse de epifanie van het hemelse herkent (de wereld van het geloot). De taal van de johanneïsche Jezus mag mede daarom symbolisch heten, omdat ze de beide niveau’s (het aardse en het hemelse) niet uiteentrekt, maar ze integendeel bij elkaar betrekt en ze tot één werkelijkheid doet samenvallen. Zijn hemelse herkomst (die de ‘joden’ loochenen) mag zijn aardse werkelijkheid niet doen ontkennen (wat het docetisme doet). In die zin is het johannesevangelie niét mystiek: het is geen boven taal en wereld verheven schouwing, het is schouwing van hemelse werkelijkheid in aardse taal en tekens.

Johannes (en wij met hem) heeft goede geloofsredenen om aan deze eenheid van aardsheid en hemelsheid in Jezus vast te houden – en dat verklaart grotendeels de felheid van zijn polemische passussen. Wie de aardsheid en de historiciteit van Jezus loslaat, maakt Hem tot voorwerp van menselijke speculaties en reduceert het geloof tot een gnose (en kan dan, om het bij één voorbeeld te houden, in het vierde evangelie niets anders zien dan een stuk Indische filosofie). De theoretische of praktische loochening van Jezus’ hemelsheid (van zijn pre-existentie, als we die term niet naïef verstaan) reduceert Hem tot iets als een model-mens, die dan in dienst kan worden genomen van uiteenlopende ideologieën. Los van Mij kunt gij niets (15,5), zegt de johanneïsche Jezus. Dat wordt nogal eens moraliserend verstaan als: ‘Zonder mijn hulp kunt ge niets’. Maar het reikt dieper. Wie zich losmaakt van déze Jezus, die concrete historische mens is én daarin openbaring van de Vader, maakt zich een Jezus naar eigen maatstaven. Hij rukt zich los uit de taal- en geloofsgemeenschap met die Jezus, en wordt pseudoprofeet. Van hem verluidt het harde woord dat hij wordt weggeworpen en verdort (15,6). Hij wordt afgesneden, eigenlijk snijdt hij zelf zich af van de gemeenschap met Jezus, die concreet gestalte krijgt in de eenheid van de johanneïsche gemeente. Hier ligt m.i. het polemisch zwaartepunt van het vierde evangelie.

En dat blijft onverminderd actueel. In de historische Jezus de epifanie van God herkennen, dat gaat dan vandaag betekenen: God en Jezus zien in de historische gestalte van een kerk, die toch ook maar ‘uit Nazaret’ is, een geschonden, zoekende, falende kerk; in de sacramenten en de liturgie, in die onaanzienlijke tekens en soms onaantrekkelijke vieringen. Dat God zich juist daar laat zien en vinden, dat is voor de moderne mentaliteit even aanstootgevend als Jezus het voor de ‘joden’ was. Maar je kunt er volgens Johannes niet omheen: de ‘logos’ is ‘sarx’ geworden (1,14). Wat wij de symbolische taal van het Johannes-evangelie noemen, komt in dat ene zinnetje pregnant tot uitdrukking. Jezus is in dat evangelie een en al symbool: logos-in-sarx. Hoe kon het anders of zijn taal moest een symbolische taal zijn.

ezra19Dit artikel verscheen in het voormalige VBS-Informatie. In 2009, bij het begin van de 40ste jaargang, kreeg het blad een nieuwe vormgeving. Sindsdien verschijnt het onder de naam Ezra – Bijbels tijdschrift.
→ Bekijk de recentste nummers van Ezra – Bijbels tijdschrift.
 
Leden van de Vlaamse Bijbelstichting krijgen het recentste nummer van EZRA om de drie maanden gratis opgestuurd.
→ Ontdek alle voordelen van het VBS lidmaatschap.

 

Reacties zijn afgesloten.