De Nieuwe Bijbelvertaling en de vertaalwetenschap

Door Paul Gillaerts in VBS-Informatie Maart 2005

Dames en heren,

De presentatie van een nieuwe bijbelvertaling voor de Nederlanden is een uitgelezen moment om ons eraan te herinneren dat de meesten van ons de bijbel enkel in vertaling lezen. Zonder vertalingen zou de bijbel een gesloten boek zijn gebleven.

Vertalersopleidingen als die van de Lessius Hogeschool zijn dan ook broodnodig, niet alleen omdat er geoefend wordt in het verwerven van een professionele vertaalvaardigheid, maar ook omdat er nagedacht kan worden over de betekenis van het vertalen.

In het komende kwartiertje zou ik met u willen nadenken over de volgende vraag: waaruit bestaat de inbreng van de vertaalwetenschap in het project van de Nieuwe Bijbelvertaling (kortweg de NBV)? Waarvoor hebben we een academische belangstelling voor het vertalen nodig, als we vandaag de bijbel willen vertalen?

Ik zie drie redenen, drie inzichten uit de vertaalwetenschap die voor een bijbelvertaalproject als dat van de Nieuwe Bijbelvertaling
van belang zijn geweest:

  • Vertalen is interpreteren.
  • Vertalen veronderstelt een strategie.
  • Vertaien gaat over het verschil tussen culturen.

1. Vertalen is interpreteren

Zoals elke wetenschap leidt de vertaalwetenschap tot enige nuchterheid: Hebreeuws, Grieks en Aramees zijn geen heilige talen, maar zijn – zoals het eerste principe van de NBV luidt: talen als elke andere taai. Hiëronymus, de vertaler van de bijbel in het Latijn, de zogenaamde Vulgaat, moest nog een voorbehoud maken voor de bijbel als hij het vertalen naar de betekenis bepleitte. Omdat in de bijbel God zelf aan het woord was, mocht daaraan niets – geen jota, of is het tittel? – worden gewijzigd, zelfs de volgorde van de woorden had volgens hem iets mysterieus. Waren het Hebreeuws en het Grieks voor hem nog heilige talen, in de praktijk van het vertalen zou hij toch geen woord-voor-woordvertaling afleveren, maar de betekenis laten doorwegen, zelfs in de Vulgaat.

Maar het idee dat de talen van de bijbel onaantastbaar waren, heeft het vertalen van de bijbel tot diep in de vorige eeuw bepaald, binnen de romana het vertalen zelfs ontmoedigd. De exegese van de bijbel is eeuwenlang verweven geweest met, of moet ik zeggen verstrikt geweest in de theologie, in allerlei leerstellige overtuigingen van waaruit de verschillende kerken elkaar hebben bestreden. Vandaag, voor het eerst na vijfhonderd jaar, is er een bijbelvertaling tot stand gekomen die interkerkelijk, oecumenisch is, omdat ze niet de theologie als uitgangspunt heeft genomen, maar de tekst. In de termen van de vertaalprincipes: het vertalen is aan de theologie vooraf gegaan.

Uiteraard zijn het ook in de eerste plaats exegeten geweest die als belangrijkste kenners van de schriften gewezen hebben op het belang van de tekst en van zorgvuldige tekstanalyse. De voorbije tien jaar waarin ik bij het NBV-project betrokken ben geweest, zijn mijn ontzag en waardering, mijn bewondering ook, voor wat exegeten, ook bij ons, hebben weten te bereiken, aileen maar toegenomen. Samen, zelfs tot in de intimiteit van het vertalerskoppel, hebben exegeten en vertaalwetenschappers zich aan de vertaling van de bijbelboeken gezet.

Vertalen gaat aan de theologie vooraf. Juist, maar toch. Vertaalwetenschappers denken dan aan wat Nijhoff, die als geen ander wist wat vertalen was, in zijn gedicht ‘Awater’ de lezer voorhield: ‘Lees maar, er staat niet wat er staat’. Met andere woorden, die gerichtheid op de tekst betekent nog niet dat dan vanzelf duidelijk zou zijn wat er staat.

Vertalen, dames en heren, is in de eerste plaats lezen wat er staat en merken dat het er toch niet helemaal zo staat. Vertalen is interpreteren. De vertaalwetenschap heeft óns geleerd te letten op allerlei kleine en grote verschuivingen tussen bron- en doeltaal, op de culturele gebondenheid van elke vertaling, en dus ook op het belang van allerlei vooronderstellingen (ook theologische!) die we in de vertaling inbrengen, misschien wel moeten inbrengen wil de vertaling een functie krijgen in de ontvangende cultuur. In wezen verschilt een vertaling dan niet van andere culturele uitingen, die de bijbel op hun manier vertalen.

Laat ik u even meenemen op een kleine kunsthistorische uitstap. We belanden in Vilvoorde, waar enkele weken geleden in het slotklooster van de Karmelietessen een overzichtstentoonstelling te zien was van Rik Poot, een hedendaags Vlaams beeldend kunstenaar. In de kerk hing zijn kruisweg die hij voor de Sint-Lambertus-kerk in Muizen heeft gemaakt. We zien de elfde statie: de kruisiging. Wat opvalt zijn de twee figuren die uit het vlak van de compositie bijna letterlijk in het oog springen. Met grote behendigheid nagelen ze Jezus met een hamer aan het kruis. Het is dezelfde meedogenloze vakkundigheid waarmee vandaag mensen worden opgeblazen.

Wat een verschil met het volgende kunstwerk, een schilderij van Bernardino Luini uit het San Maurizioklooster in Milaan. Er wordt nog even verwezen naar de vakkundigheid – we zien de nijptang – maar het beeld is toch veeleer gericht op de menselijke bedrijvigheid en betrokkenheid op en onder het kruis. Wat afgebeeld wordt is de kruisafneming, maar zomin als bij Poot staat Jezus hier centraal. Het gaat om het verhaal van de hulpvaardige mannen die Jezus van zijn kruis halen en van de verdrietige vrouwen onderaan het kruis. Warme kleuren zien we; ze esthetiseren het tafereel en troosten de kijker. Kortom: dit is een schilderij uit de humanistische zestiende eeuw van een leerling van Leonardo da Vinci.

Deze zomer, op een Toscaanse heuvel, vond ik in een romaans kerkje dit kruis. Het kruis is leeg: de Heer is verrezen, alleen de hamer en de nijptang herinneren ons aan de kruisiging en de kruisafneming. De soberheid van de afbeelding brengt met kracht de spirituele betekenis van het kruis naar voren. We zitten in de Middeleeuwen met zijn hang naar een spirituele, allegorische betekenis van het bijbelwoord.

Welk bijbelwoord? Waarvan zijn die kunstwerken de verbeelding, de vertaling? Van het Grieks: kai staurousin auton en katheloon auton (Mc 15,24 en 46: ‘Ze kruisigden hem’ en ‘Jozef kocht een stuk linnen, haalde Jezus van het kruis en wikkelde hem in het linnen’). Het staat er zo terloops. Voor de vertaling van staurousin, zo leren we uit het onvolprezen Woordenboek der Nederlandse Taal, is een beroep gedaan op het Duitse ‘kreuzigen’: allicht heeft Luthers bijbelvertaling hier een rol in gespeeld. Kruisigen zou wel eens een versterkende variant van ‘kruisen’ kunnen zijn, een interpretatie dus. (Waarmee dan meteen ook de veronderstelling dat we uit de brontaal vertalen gerelativeerd is; we steunen meer op bestaande vertalingen en andere talen dan we durven toe te geven; alleen op die manier hebben we onze taal van de middelen kunnen voorzien om de bijbelse teksten te verwoorden.)

Maar er is toch een verschil tussen dat kruisigen en wat die drie kunstwerken ons lieten zien: de NBV beperkt zich toch tot wat er staat. Ja, maar wat staat er? Wat moeten we precies verstaan onder het Griekse werkwoord dat met ‘kruisigen’ is vertaald?Archeologisch onderzoek in de jaren zeventig heeft aan het licht gebracht dat Poots interpretatie nog een understatement is voor het gruwelijke raffinement dat met een kruisiging gepaard ging.

Maar wat met de spirituele en menselijke betekenis van de kruisiging? Ook daarvan vinden we zelfs al in de bijbel (want het interpreteren begint al in de bijbel) en in onze tijd een spoor.

Paulus heeft het in Galaten 2,20 over: ‘Met Christus ben ik gekruisigd: ikzelf leef niet meer, maar Christus leeft in mij’. Bij Nijhoff echoot het in het gedicht ‘De soldaat die Jezus kruisigde’: ‘Hij heeft een spijker door mijn hand geslagen’.

Paulus gebruikt het werkwoord ‘kruisigen” in een figuurlijke betekenis en maakt op die manier de spirituele betekenis los waarin christenen de essentie van hun geloof zijn gaan zien; Nijhoff, man van onze tijd, betrekt de kruisdood op de ommekeer van de soldaat die in de man die hij aan het kruis heeft genageld, het absolute appel van de liefde herkend heeft.

Vertalen is interpreteren: door dicht bij de tekst te blijven, te vertalen wat er staat (er staat toch kruisigen) maken we het mogelijk wat er niet staat, de geestelijke betekenis, te ontdekken.

2. Vertalen veronderstelt een strategie

De Nieuwe Bijbelvertaling, een onderneming van tien jaar en tientallen medewerkers, kan geen consistente vertaling opleveren als de uitgangspunten en doelstellingen van het vertaalproject niet zijn uitgeklaard. Een letterlijke vertaling van de bijbel zoals de Staten-vertaling nog had beoogd en waarvan in 1951 het Nederlands Bijbelgenootschap nog niet was durven af te stappen, kon niet meer. Nida en Tauber hadden in de bijbelvertaalwetenschap de weg gewezen naar een dynamisch-equivalente vertaalmethode die de lezer serieus nam. Het onmiddellijk resultaat van die methode waren de bijbelvertalingen in de omgangstaal. Maar kritiek op de vervlakkende effecten van een vertaling die voor alles de doelcultuur wou dienen, leidde ertoe dat opnieuw meer aandacht werd besteed aan wat in de brontekst functioneel was. Volgens die functioneel-equivalente methode is de NBV gemaakt: niet de brontaal staat centraal zoals bij de formeel-equivalente benadering van de Statenvertaling, evenmin de doeltaal zoals bij de dynamisch-equivalente methode van de Groot Nieuws Bijbel. Zowel de brontekst als de doeltaal moest recht gedaan worden: een zorgvuldige analyse van de brontekst moest duidelijk maken tot welk genre een bepaalde bijbeltekst behoorde, tot welk stijl- en registerniveau. Pas op grond van die analyse kon overgegaan worden tot de vertaling in de doeltaal, die zich op een natuurlijke wijze moest aanpassen aan het aanbod van het tekstgenre.

Halverwege het project werd duidelijk dat het onderscheid tussen taal en tekst niet zo vanzelfsprekend was: niet elk tekstkenmerk kon zomaar recht gedaan worden en over wat een taalkenmerk was, wat een tekstkenmerk (het eerste moest worden omgezet, het tweede bewaard) bestond – zo bleek uit vele lezersreacties – heel wat discussie.

Onder impuls van vertaalwetenschappers als de Blois en Mewe, Naaijkens en De Vries, werd een vertaalwetenschappelijk verantwoorde weg gezocht door naast ‘taal’ en ‘tekst’ ook het begrip ‘cultuur’ een plaats te geven in de vertaalstrategie, een ontwikkeling die binnen het Vlaams lezerspanel, dat altijd al voor het behoud van beeldspraak en cultuurverschil had gepleit, werd toegejuicht. Bij die ‘wending’ speelde ook mee dat de doelgroep waarvoor de bijbelvertaling bedoeld was, verruimd werd tot de niet-kerkelijke, cultureel geïnteresseerde lezer. (Bijbelgenootschappen zijn per slot van rekening gericht op de verspreiding van de bijbel via vertalingen.) Bovendien was het intussen ook duidelijk (dank aan Fokkelman en andere exegeten) dat de bijbel een literair boek was en om een literair verantwoorde vertaling vroeg.

Van James Holmes, zowat de peetvader van de twintigste-eeuwse vertaalwetenschap, werd het begrippenpaar ‘naturaliseren’ en ‘exotiseren’ geleend om preciezer aan te geven in welke richting de vertaling moest gaan. Voor Holmes bevond elke vertaling zich op een continuüm van herschepping tot bewaring, transculturatie tot vervreemding. Voor het NBV-project leverde dat de volgende verfijning op van de vertaalstrategie: op het niveau van de taal is de NBV naturaliserend (doeltaalgericht), op het niveau van de tekst is ze min of meer exotiserend (niet elk genre bestaat in de doelcultuur), maar op het niveau van de cultuur is ze bewust exotiserend. Ze schudt het stof van de voeten eerder dan iemand de rug toe te keren. Daarmee had de Nieuwe Bijbelvertaling opnieuw aansluiting gevonden bij de Statenbijbelse traditie; met de doeltaalgerichtheid sloot ze immers vooral bij Luther aan en (vaak vergeten) bij de Windesheimers uit Deventer.

Tijd voor een illustratie, ditmaal uit het bekende .gebed van het
onzevader. Ik citeer uit Mt 6,13:

kai mè eismengkès hèmas eis peirasmon,
alla rusai hèmas apo tou ponèrou

In het Latijn van de Vulgaat:

‘et ne inducas nos in tentationem
sed libera nos a Malo’

In mijn Vlaamse variant:

‘en leid ons niet in bekoring
maar verlos ons van het kwaad’,

waarmee ik meteen aangeef dat dit een katholieke variant is, want de protestanten gebruiken ‘in verzoeking’. De drie hedendaagse vertalingen (de Nieuwe Bijbelvertaling, de Willibrord en de Groot Nieuws Bijbel) luiden als volgt:

‘En breng ons niet in beproeving,
Maar red ons uit de greep van het kwaad’ (NBV)

‘En breng ons niet in verleiding,
maar red ons van her kwaad’ (WV).

‘en stel ons niet op de proef
maar verlos ons van de duivel’ (GNB).

De NBV naturaliseert op het niveau van de taal: tou ponèrou wordt niet meer vertaald zoals in de Statenbijbel en de NBG van 1951 als ‘de Boze’, dat als te verouderd wordt beschouwd (we denken bij ‘boos’ onmiddellijk aan ‘woedend’, niet aan ‘slecht’) maar ook niet met ‘de duivel’ zoals in de GNB, maar door het abstracte ‘het kwaad’. Die duivel zou nochtans mogelijk geweest zijn, omdat er in Matteüs veel sprake van is, maar – zeggen sommige exegeten – er staat nu eenmaal niet diabolos of satan, maar ponèrou. Bovendien is uit de brontekstvorm niet meteen af te leiden of het onzijdige dan wel mannelijke is bedoeld. Om die dubbele mogelijkheid open te houden is gekozen voor ‘in de greep van het kwaad’: ‘greep’ verwijst naar iemand die grijpt en alludeert zo op de duivel.

De NBV exotiseert wel min of meer op het niveau van de tekst door de keuze voor het woord ‘beproeving’; daarmee legt het namelijk een verband met Matteüs 3, waar Jezus door de duivel wordt beproefd. Het onzevader wordt daarmee ingebed in het bredere verband van het Matteüs-evangelie. Tegelijk is daarmee een variant gevonden die de kerkelijke verschillen russen ‘bekoring’ en ‘verzoeking’ wegneemt.

Ten slotte exotiseert de NBV sterk op het niveau van de cultuur: rusai wordt vertaald door ‘red’, maar betekent volgens de Matteusvertaler Jean Bastiaens letterlijk ‘in veiligheid brengen, wegtrekken uit het domein van het kwaad, tegen het kwaad in bescherming nemen’.

De Willibrord van 1975 heeft nog ‘behoed ons voor het kwaad’. Het verschil tussen ‘behoeden’ en ‘redden’ is niet onbelangrijk: in het eerste geval wordt meer de relatie met de Vader naar voren gehaald en is de dreiging van het kwaad minder acuut, louter mogelijkheid; in het tweede geval is ze realiteit en bevinden we ons in een eschatologische interpretatie van het onzevader: het gebed zou zijn ontstaan tegen de achtergrond van de gedachte aan de eindtijd; de vertaling ‘red ons uit de greep van het kwaad’ versterkt die eschatologische interpretatie.

De vertolking van het onzevader door het kathedraalkoor op muziek van Johan Akkermans, is een treffende illustratie van de muzikale vertaling van die apocalyptische dreiging: de drieledige maatsoort die voor het onzevader is gebruikt en vanouds een vreugdevol, dansend karakter heeft (als tempus perfectum suggereert het ook het volmaakte) wordt in de laatste drie maten omgezet in een tweeledigheid. Daarmee versterkt de toondichter op zijn beun het eschatologisch-dreigende karakter van de vertaling: ‘red ons uit de greep van het kwaad’.

3. Vertalen gaat over het verschil tussen culturen

Binnen de vertaalwetenschap is er een ontwikkeling te zien die de intentionaliteit van de brontekst relativeert: een vertaling moet niet alleen, of zelfs niet zozeer, afgemeten worden aan haar verschil of overeenkomst (haar equivalentie) met de brontekst, maar wordt mede, om niet te zeggen vooral, bepaald door de ‘skopos’ van de vertaling. Daarmee wordt bedoeld dat de culturele context waarin de vertaling terecht komt, inclusief de opdrachtgevers van de vertaling, bepaalt hoe die vertaling eruitziet.

Vanuit die benadering is begrijpelijk waarom de NBV de psalmen als strofische poëzie heeft vertaald, terwijl in de brontekst van strofen geen sprake is. Daarmee wordt ingespeeld op de culturele verwachting van de hedendaagse lezer, dat poëzie herkenbaar is aan zijn strofische structuur. Die voorkeur voor het genreniveau en de macrostructuur van de tekst moet ook een literaire verwerking van de andere bijbelboeken vergemakkelijken. De niet-kerkelijke lezer kan de bijbel voortaan in een aparte literaire editie zonder versnummering en perikopenindeling lezen, net zoals hij een roman leest.

Anderzijds: vertalen is niet zich een tekst toe-eigenen, maar veeleer respect hebben voor het culturele verschil, voor het anders-zijn, het vreemd zijn van de brontekst. Het is een verdienste van collega en vertaalwetenschapper Henri Bloemen daar steeds weer op gewezen te hebben. Het exotiseren op het niveau van cultuur (bijvoorbeeld door te kiezen voor een meer letterlijke weergave van de brontekst) betekent dat de andere cultuur niet meer gezien wordt als een bedreiging, een storende facto, maar als een bijdrage aan onze cultuur.

Een voorbeeld van die vreemdheid biedt ons de laatste regel van het volgende kwatrijn uit Psalm 8:

‘schapen, geiten, al het vee,
en ook de dieren van het veld,
de vogels aan de hemel, de vissen in de zee
en alles wat trekt over de wegen der zeeën’.

‘De wegen der zeeën’: wat een vreemd beeld; ‘alles wat zich een weg zoekt door het water’ vertaalt de Groot Nieuws Bijbel; ‘alles wat de oceaan doorkruist’ zegt de Willibrord. Beide vertalen de vreemdheid weg. De Nieuwe Bijbelvertaling (zoals de Statenvertaling overigens) bewaart ze, en verwijst daarmee naar een vreemde, mythologische voorstellingswereld van onzichtbare oerkrachten, of monsters. Ook daarover moet de mens heersen.

Van deze tekst kunt u zo dadelijk een compositie horen van Johan Akkermans. Let op het keervers dat de rest van het gedicht omsluit: ‘Heer, onze Heer, hoe machtig is uw naam op heel de aarde’. De componist begint en eindigt driestemmig, maar gebruikt een open kwint op de dominant, hoogst ongewoon, maar iets van een aarzelende, 2lste-eeuwse verwondering om de almacht van God die de nietige mens bijna als een god over zijn schepping heeft aangesteld, klinkt er wel in door.

Dames en heren, ik resumeer: Wat heeft de vertaalwetenschap bijgedragen aan het NBV-project?
1. Vertalen is interpreteren.
2. Vertalen veronderstelt een strategie.
3. Vertalen houdt rekening met het culturele verschil.
Van alledrie reken ik de eerste bijdrage als de belangrijkste omdat ze ons aanzet tot bescheidenheid (er is geen definitieve vertaling) én trots want de Nieuwe Bijbelvertaling is gebouwd op stevige vertaalwetenschappelijke grond. Ik ben ervan overtuigd dat ze op haar beurt heeft bijgedragen en nog zal bijdragen aan een beter begrip van het vertalen, en dus aan de verdere bloei van de vertaalwetenschap.

ezra19Dit artikel verscheen in het voormalige VBS-Informatie. In 2009, bij het begin van de 40ste jaargang, kreeg het blad een nieuwe vormgeving. Sindsdien verschijnt het onder de naam Ezra – Bijbels tijdschrift.
→ Bekijk de recentste nummers van Ezra – Bijbels tijdschrift.
 
Leden van de Vlaamse Bijbelstichting krijgen het recentste nummer van EZRA om de drie maanden gratis opgestuurd.
→ Ontdek alle voordelen van het VBS lidmaatschap.

 

Reacties zijn afgesloten.