Bijbels en betekenissen

Door Joris Note in VBS-Informatie Maart 2005

Goedemiddag, dames en heren.

Vandaag voel ik me als een eenvoudige boerenzoon die per ongeluk tussen de profeten verzeild is. Immers, ik ben geen exegeet of theoloog, ik ken de grondtalen van de bijbel niet, ben geen vertaler en geen vertaaldeskundige. Bovendien ben ik katholiek opgevoed, en de bijbel is me dus niet met de paplepel ingegeven. Vooral het Oude Testament was in onze kinderjaren een boek van horen zeggen, het bereikte ons maar heel broksgewijs en indirect, via verhalen uit de Gewijde Geschiedenis – en daar stonden wel prentjes bij, herinner ik me, maar die waren niet eens in kleur. Door een onnozele associatie moet ik nu denken aan een liedje van de countryzangeres Dolly Parton, waarin ze zingt over haar arme kindertijd: hoe haar mama een hoop oude lappen gebruikte om een winterjas voor haar te maken, en hoe die mama vertelde over de bijbelse Jozef en zijn coat of many colors, zijn veelkleurige gewaad, en hoe trots het kind dan was dat ze met zo’n fantastisch kledingstuk naar school mocht. Maar dit is helemaal niet ter zake.

Er werd mij gevraagd om hier vanuit een literair perspectief iets te zeggen over de bijbel en de Nieuwe Bijbelvertaling. Helaas heb ik nog maar een klein stuk van de NBV met de nodige zorgvuldigheid kunnen lezen, en zo’n vertaling kan zich trouwens maar bewijzen in langdurig gebruik. Maar wat betékent het eigenlijk om de bijbel als literatuur te benaderen? In een document van de NBV wordt gesteld ‘dat de lezer van een literair werk behalve aan de inhoud ook waarde hecht aan de vorm van de tekst omdat hij een esthetische gewaarwording wil ondergaan’. Eerlijk waar, ik heb nog nooit bij het lezen een esthetische gewaarwording willen ondergaan, en ik weet ook niet goed wat dat is, een esthetische gewaarwording.

Wat betekent het om de bijbel literair te benaderen? Ik noem een drietal niveaus waarop we over die vraag kunnen nadenken.

* * *

Het eerste niveau is het meest praktische. Literatuur, dat zijn gewoon alle teksten die als literatuur gepresenteerd worden en die daardoor functioneren binnen een literair systeem. Met kwaliteit heeft dat niets te maken; als iemand een roman publiceert bij een literaire uitgeverij, dan is dat literatuur, ook al zou die roman volslagen knoeiwerk zijn. Er komen edities van de NBV op de markt die literair genoemd worden omdat ze eruit zien als gewone boeken, met de tekst in één kolom; er verschijnt zelfs een uitgave in een peperdure reeks klassieken, met prenten van Gustave Doré. Die uiterlijkheden zijn manieren om te zeggen: dit is literatuur; ze duiden ongeveer hetzelfde aan als de NBV-stukken waarin staat dat men recht wil doen aan de literaire eigenschappen van het origineel. Het valt trouwens op dat ook in de publiciteit voor de andere nieuwe bijbelvertaling, die van Pieter Oussoren, het literaire aspect de nadruk krijgt. Allicht speelt hier een zeker opportunisme mee: in een ongodsdienstige maatschappij valt er meer prestige te verwerven met culturele of literaire etiketten dan met religieuze. Je kunt daar smalend over doen, maar als die zelfpresentatie ertoe leidt dat de NBV aandacht krijgt in milieus waar ze die anders niet zou krijgen, dan is het een goede zaak.

* * *

Er is een tweede niveau waarop we aan het literaire karakter van de bijbel kunnen denken: dan zien we hem als een bundel teksten die, zoals alle andere teksten, georganiseerd zijn op verschillende trappen, gaande van klanken en lettertekens tot grote eenheden zoals een gedicht of een verhalencyclus of een boek. Wie de bijbel zo bekijkt, stelt de vraag naar het hoe, hij vraagt zich af hoe de boodschappen worden verwoord, en hij kan daarbij gebruik maken van methodes uit de literatuurwetenschap. Dit soort aanpak heeft een grote rol gespeeld bij de totstandkoming van de NBV, maar zo nieuw is het natuurlijk niet. Buitenstaanders als ik hebben er de laatste decennia kennis mee kunnen maken via bijvoorbeeld de fameuze Literary Guide to the Bible van Robert Alter en Frank
Kermode. Vorig jaar hebben Jan Fokkelman en Wim Weren ons een Nederlandstalige tegenhanger van die gids bezorgd, met als ondertitel: Opbouw en gedachtegang van de bijbelse geschriften en hun onderlinge relaties. Hoe zit het in elkaar, hoe hangt het aaneen, hoe is het gemaakt? Als zulke vragen naar structuur en techniek een antwoord krijgen, dan verwerven we ook beter inzicht in de betekenis.

Het gaat op dit niveau hoofdzakelijk om beschrijving en ontleding, het liefst met behulp van historische kennis, maar we zullen toch ook graag waardeoordelen vellen, we zullen willen uitmaken of de tekst een geslaagde ‘vorm’ heeft, en of die vorm de betekenis goed overbrengt: Maar wie de bijbel alleen in vertaling kent, kan nauwelijks oordelen over klanken en woordkeus en woordvolgorde: het meeste daarvan gaat in het Nederlands verloren. En juist dan vervallen we makkelijk in vage esthetische impressies – we zullen beweren dat een psalm mooi klinkt of zoiets, maar dat zegt bitter weinig.

De grotere eenheden laten zich beter beoordelen, die komen meestal ook in vertaling tot hun recht. Het gaat dan over kwaliteiten die als het ware van ambachtelijke aard zijn. We vinden bijvoorbeeld dat het verhaal van de twee boeken Samuël virtuoos verteld is, dat het knap gebruik maakt van contrasten, van motief-herhalingen, van dramatische ironie; we waarderen het dat de hoofdfiguren zo complex getekend zijn, dat ze zich ontwikkelen, dat ze ambivalent tegenover elkaar staan, en dat ze soms niet weten wat ze willen. Een van de kleinodiën is voor mijn part het moment waarop God tegen Samuël zegt dat hij genoeg heeft van Saul – dan staat er (1 S, 15,ll): ‘Samuël werd boos en schreeuwde het de hele nacht uit tegen de HEER’. Dat is een prachtige zin omdat we niet precies weten waarom Samuël boos is en op wie, en mogelijk weet hij het zelf niet, zijn verwarring is te groot geworden.

* * *

Ik probeer nu naar een derde niveau te gaan waarop we de bijbel als literair kunnen ervaren. Proberen, zeg ik, want wat hier gebeurt is moeilijk te verwoorden op een ordelijke manier – het lijken wel terebinttakken waar je met je haren in blijft vasthangen. Op het tweede niveau vertrok ik, simplistisch uitgedrukt, van een schrijver die zijn tekst op een bepaalde manier organiseert om een bepaalde betekenis over te brengen; met aan de andere kant, complementair, een lezer die de organisatie doorziet en er de betekenis uit haalt; aan het eind van de dag heeft die lezer de zaken min of meer begrepen en kan hij met een tevreden hart gaan slapen.

Maar op dit derde niveau verliezen we het geloof in dé betekenis of in één betekenis, en het geloof in twee of drie betekenissen. We zien nu betekenissen die met elkaar vergroeien, we zien aanzetten tot betekenis, we zien betekenisprocessen die niet eindigen. In zo’n lezing blijft er niets vaststaan, er zijn stekende tegenstellingen en uitwaaierende mogelijkheden. We lezen de tekst en lezen hem opnieuw en nog eens, en telkens lijkt hij anders en ingewikkelder, en aan het eind van de dag liggen we te woelen in ons bed en schreeuwen we het uit tegen de Heer.

Dat is misschien, ongeveer, wat ik onder een echte literaire lezing versta. Het is per definitie een ongelovige lezing, maar dat woord moet u niet misleiden, het zou best kunnen dat de onvatbaarheid van de betekenis een religieus karakter heeft; wellicht wil de betekenis niet in het gezicht gezien worden: wie Gods gezicht ziet moet sterven, en wie dé betekenis ziet moet verstarren als lezer, sterven als lezer.

* * *

Niet alle geschriften lenen zich tot die ongelovige manier van lezen, maar ik denk dat ze goed past bij de bijbel, met andere woorden: de bijbel bestaat voor een groot deel uit echte literaire teksten. Zulke teksten zeggen altijd iets meer en iets anders dan hun schrijver bedoelde, meer dan hij kón zeggen; er zitten breuken in de tekst, hij is in zichzelf verdeeld Honoré de Balzac gaf in zijn romans vorm aan een veel interessantere maatschappijvisie dan die van zijn eigen ideologie; en wie de verzen van Guido Gezelle goed leest, weet dat die veel méér bevatten dan de denkwereld van een reactionaire negentiende-eeuwse pastoor. De schrijver heeft de woorden niet geheel in de hand, hij vertrouwt zich toe aan de woorden, en de woorden gaan hun gang. Iedereen ziet wel dat er in de boeken Samuël dingen zitten die wringen, dat de genoemde ambivalentie soms de spuigaten uitloopt, dat er bizarre details zijn en passages die lopen te vloeken. Tot op zekere hoogte kunnen we die wringende dingen uitleggen of wegredeneren, maar soms lijkt het bevredigender om ze te aanvaarden, om ons het genoegen te gunnen de wrijvingen te laten wrijven. Dat genoegen heeft te maken met het besef van een ondoorgrondelijk menselijk bestaan, en het is dus zeker geen louter genoegen van de vorm.

Maar het is wel een genoegen in taal. Fokkelman schrijft ergens dat de bijbelse vertellers geen plaats hebben voor small talk en voor wat niet ter zake is. Geen bladvulling, geen gezever. Dat is wel het verbluffendste aan veel bijbelboeken: alles wat er staat heeft belang, alle woorden hebben belang, de dichtheid van de tekst is enorm, en je merkt dat beter naarmate je meer herleest. Juist door die dichtheid ontstaat de spannende veelheid aan betekenissen, de onuitputtelijkheid die zo typerend is voor literatuur.

* * *

Maar als de woorden zelf zo zwaar wegen, schiet dan niet elke vertaling noodzakelijk tekort? Allicht. Een vertaling is altijd maar tweede keus, een pis-aller, en voor de bijbel met zijn onzekere bronteksten geldt dat nog meer. En toch, ik ken tot nader order geen Hebreeuws maar ik wil me de bijbel niet ontzeggen – wat kan ik dan doen? Zoals ik pleit voor veelheid van betekenissen, pleit ik ook voor een veelheid van vertalingen. Ik lees het verhaal over David in de NBV, maar ik lees het ook in de becommentarieerde Engelse versie van Robert Alter, ik kijk in de Statenvertaling en in de Willibrord, ik lees een paar beschouwingen en ik zoek informatie. Door dat alles krijg ik een vermoeden van wat de grondtekst biedt, en die grondtekst wordt een object van verlangen, een object dat ik eindeloos kan benaderen maar nooit definitief bereiken. In feite doe ik met Samuël hetzelfde als met de Odyssee of het Gilgamesj-epos, maar zonder te vergeten dat ik tegenover de bijbel nooit zo onbevangen zal staan.

Je kunt nog een stap verder gaan en er moderne boeken bij halen die de bijbeltekst opgegeten en verteerd hebben. Zo denk ik in verband met David aan de roman Bathseba van de Zweedse schrijver Torgny Lindgren, die een vinnig licht werpt op de verwerving van godsdienst met macht en seks. Of ik denk aan de roman Absalom, Absalom! van William Faulkner, een meesterwerk dat helemaal niet over David of Absalom handelt maar dat toch iets vertelt over hun relatie van vader en zoon. Zulke boeken verhelderen de bijbel niet, integendeel, maar ze helpen om er met nieuwe ogen naar te kijken.

* * *

Niet iedereen zal meerdere vertalingen naast elkaar gebruiken, maar wel zullen verschillende mensen verschillende vertalingen lezen, in de toekomst meer dan ooit. Anders gezegd, de ambitie van de NBV om een tijdlang dé standaardvertaling te zijn is wellicht niet verwezenlijkbaar. De christelijke kerken en het jodendom zijn hopelijk dichter bij elkaar gekomen, maar daarbuiten bestaat er in elk geval geen gemeenschap van lezers meer die voldoende eenheid vertoont om één versie te ondersteunen.

Er zal met name een tweespalt blijven bestaan tussen de voorkeuren voor een meer letterlijke en een meer moderne versie. Ik sta achter de optie voor een goed leesbare vertaling, en de NBV zal de bijbel worden waar ik in de komende jaren het vaakst naar grijp. Maar ik wil toch nog heel even zeuren over de toverformule die terugkeert in alle NBV-documenten, de keuze om brontekstge trouw en doeltaalgericht te vertalen.

Ik beperk me tot één kwellende vraag: wat is de doeltaal? De doeltaal is een natuurlijk Nederlands, zegt men, maar wat is natuurlijk Nederlands? Daar heb ik nooit een afdoend antwoord op gezien. Ik schrik als ik ergens lees dat de tijdsaanduiding in die dagen niet natuurlijk is, en dat ze daarom niet thuishoort in de vertaling. En wanneer er gezegd wordt dat we in natuurlijk Nederlands proberen om herhalingen en monotonie te vermijden, dan ben ik bang dat men een wat te enge idee over onze taal heeft, ik denk dan al snel aan een ijverige leerling die variatie probeert aan te brengen in zijn opstel. Ik heb het ook moeilijk als ik in een NBV-brochure een lijst met archaïsmen vind waarvan de meeste volgens mij niet archaïsch zijn; en anderzijds moet ik slikken als ik verneem dat David zich uit de voeten maakt, of bij vlotte uitdrukkingen als zeg eens en hoor eens, of het is niet veel fraais.

Maar om u gerust te stellen geef ik nog een ander voorbeeld. De eerste psalm begint in de nieuwe vertaling met ‘Gelukkig de mens / die niet meegaat met wie kwaad doen’. Willem Barnard schreef onlangs dat men beter niet zou beginnen met het woord gelukkig; hij vond het ‘te blakend’ en te happy, het deed hem te veel denken aan leuke gelukkige gezinnetjes. Hoewel die overweging van Barnard heel pittig is, vind ik hem toch wat te defaitistisch. Het is waar dat onze taal steeds meer doordrongen raakt van reclamejargon, maar we moeten ons daar niet bij neerleggen, we moeten de goede woorden niet voetstoots prijsgeven aan het geschetter dat ons omgeeft.

* * *

Wat ik als literaire lezer zoek is uiteindelijk iets wat elke lezer zoekt of zou moeten zoeken: een juiste vertaling, een vertaling die een zo adequaat mogelijke indruk geeft van het origineel. Maar voor een leek blijven er ontelbare punten waarop hij niet weet wat de juiste weergave is. Het begin van Hoogiied 2,17 luidt in de NBV: ‘Nu de dag weer ademt / en het duister vlucht – ga nu weg, mijn lief’. Dat is de sfeer van een middeleeuws wachterlied, waarin de geliefden scheiden bij het krieken van de dag. In de Hooglied-vertaling van Pius Drijvers en Jan Renkema zeggen dezelfde regels het omgekeerde: ‘Als de avondwind gaat waaien / en de schaduwen verdwijnen / kom dan terug, mijn liefste’. Dankzij wat externe hulp weet ik vrij zeker dat de NBV het hier bij het rechte eind heeft, maar het is niet altijd zo duidelijk.

* * *

Ik heb een lichtjes studieuze manier geschetst om de bijbel te benaderen, en ik excuseer me daar niet voor. Maar zo kan het niet altijd gaan. Dikwijls wil ik gewoon een verhaal of een profetie herlezen die ik me niet goed meer herinner; op zulke momenten zal ik voortaan de NBV ter hand nemen, en ongetwijfeld loop ik dan verrassingen tegen het lijf. De NBV geeft ook een nieuwe kans aan lezers die nog nooit serieus in de bijbel gelezen hebben – en die zijn talrijk genoeg, zeker onder Vlaamse ex-katholieken. In de laatste jaren, als ik eens een artikeltje publiceerde over een bijbels thema, of als ik vertelde dat ik als meelezer betrokken was bij een paar delen van de NBV, dan dook er altijd wel iemand op die lacherig en verbaasd zei: ‘Jij bent daar toch abnormaal veel mee bezig’. Zulke uitlatingen berusten op twee denkfouten: ten eerste, dat je de bijbel alleen leest als je devoot bent, en ten tweede, nog erger, dat je oude literatuur, zoals de bijbel, alleen leest als je erin gespecialiseerd bent. Vooral zijn zulke uitlatingen gebaseerd op diepe onwetendheid; heel wat mensen hebben geen flauw benul van het veelkleurige genoegen dat je kunt beleven aan Genesis en Samuël en Ester, aan Job en Prediker en Jesaja, en zelfs aan de Handelingen van de apostelen. Ik hoop uit alle macht dat de Nieuwe Bijbelvertaling daar iets aan zal veranderen, maar ik ben niet optimistisch.

Voor ik me uit de voeten maak vertel ik nog gauw hoe het diep in dat liedje van Dolly Parton. Het arme meisje haast zich naar school, heel trots in haar lappenjas, en ach, natuurlijk waarderen de andere kinderen dat rare kledingstuk niet, ze lachen haar uit. Op haar beurt vertelt zij dan aan die anderen over Jozef, en over de liefde die haar moeder in die jas genaaid heeft, en over hoe rijk ze zich eigenlijk voelt. Het is verloren moeite, de anderen begrijpen het niet.

Dames en heren, ik wens de Nieuwe Bijbelvertaling een aandachtige ontvangst toe, ik dank alle medewerkers voor wat ze verwezenlijkt hebben, en ik dank u voor het luisteren.

Aantekening

Dolly Partons Coat of Many Colors (1971) citeert Genesis 37,3 in de King James Version. Verder verwijs ik naar:
Werk in uitvoering. Eerste deeluitgaven van de Nieuwe Bijbelvertaling, NBG/KBS, Haarlem’s-Hertogenbosch, 1998.
-‘Robert Alter en Frank Kermode (red.), The Literary Guide to the Bible, Fontana Press, London, 1997 (1987).
– Jan Fokkelman en Wim Weren (red.) De bijbel literair, Meinema/Pelckmans, Zoetermeer en Kapellen, 2003.
– Jan Fokkelman, Vertelkunst in de bijbel, Boekencentrum, Zoetermeer, 2002 (1995).
– Robert Alter, The David Story. A Translation with commentary of l and 2 Samuel, Norton, New York en London, 1999.
– Torgny Lindgren, Bathseba (1984), vert. B. van der Meij, De Bezige Bij, Amsterdam, 1991.
– William Faulher, Absalom, Absalom!, Vintage, New York, 1990 (1936)
– Willem Barnard, Tegen David aan praten. Gepeins bij psalmen, Meinerna/ Pelckmans, Zoetermeer en Kapellen, 2003.
– Hooglied. Vertaald en voorzien van commentaar door Pius Drijvers en Jan Renkema, Ambo, Baarn, 1996.

ezra19Dit artikel verscheen in het voormalige VBS-Informatie. In 2009, bij het begin van de 40ste jaargang, kreeg het blad een nieuwe vormgeving. Sindsdien verschijnt het onder de naam Ezra – Bijbels tijdschrift.
→ Bekijk de recentste nummers van Ezra – Bijbels tijdschrift.
 
Leden van de Vlaamse Bijbelstichting krijgen het recentste nummer van EZRA om de drie maanden gratis opgestuurd.
→ Ontdek alle voordelen van het VBS lidmaatschap.

 

Reacties zijn afgesloten.