Het gebruik van bijbelteksten in de liturgie van de Goede Week

Door Hellen Mardaga in VBS-Informatie Maart 2007

Het vieren van de Goede Week is voor de meesten onder ons een vanzelfsprekend gegeven. We staan er evenwel niet bij stil dat de liturgie van de Goede Week tijdens de voorbije decennia verschillende malen werd hervormd. Paus Pius XII (1939-1958) herstelde in 1951 de viering van de Paaswake en in 1955-56 de viering van de Goede Week. Daarmee gaf hij gevolg aan de groeiende vraag naar vernieuwing en aanpassing aan de tijdsgeest. Vernieuwers wilden het Paasmysterie opnieuw centraal stellen omdat ze de Verrijzenis, het Paasfeest, als het hart van de liturgie beschouwden en daarom vonden dat het uitgebreid vieren van de Goede Week noodzakelijk was. Pius XII stemde met de voorstellen in en zette ook de eerste stap naar de aanpassing van het Romeins missaal.

Tijdens het Tweede Vaticaans concilie (1962-1965) werd in de Constitutie over de heilige Liturgie een vernieuwing van de liturgie in het algemeen, en van teksten en riten in het bijzonder gestipuleerd. Een belangrijke richtlijn werd opgesteld over de ‘bijbelse geest bij de vernieuwing van de liturgie’:

‘De Heilige Schrift is bij de viering van de liturgie van de hoogste betekenis. Daaruit worden immers de lezingen gehouden en in de homilie nader verklaart, alsook de psalmen gezongen; uit haar inspiratie en geest zijn de smeekbeden, de oraties en de liturgische gezangen voortgekomen; aan haar ontlenen handelingen en tekenen hun zin…’ (Sacrosanctum Concilium, nr. 24).

In de viering van de liturgie neemt de Bijbel voortaan een centrale plaats in. De Goede Week is de periode bij uitstek waarin het leven en de dood van Jezus herdacht worden. De Goede Week wordt al meer dan een halve eeuw op vernieuwende wijze gevierd, maar de keuze van de bijbelteksten bleef niet onveranderd. Dankzij de inzet van de liturgische beweging, de gebeurtenissen tijdens het Tweede Vaticaanse concilie en vooral de daarop volgende besprekingen (tot in 1970), vieren wij de Goede Week volgens het stramien dat wij nu kennen.

Om een beter inzicht te krijgen in de huidige keuze van de bijbelteksten voor de Goede Week, meer bepaald tijdens de liturgie van Palmzondag en het Triduum, is het interessant een vergelijking te maken met de bijbelteksten die gebruikt werden in de periode kort vóór het tweede Vaticaanse concilie (vanaf de hervorming in 1951-1956).

Palmzondag

Op Palmzondag wordt eerst en vooral hulde gebracht aan Jezus, de Messias. Er worden liederen gezongen die een eerbetoon zijn aan Jezus, de Koning. Men belijdt zijn geloof en vertrouwen in Christus. Die gedachte wordt zowel voor als na Vaticanum II uitgedrukt door het zingen van de antifoon uit Matteüs 21,9 tijdens de wijding en uitdeling van de palmtakken: ‘Hosanna, de Zoon van David. Gezegend is Hij die komt in naam van Heer. Hosanna, in de hoogste hemel’. De menigte roept in het evangelie de Messias toe als ‘hij die komt in de naam van de Heer’, degene die het werk van God zal vervullen. De uitroep ‘Hosanna in de hoogste hemel’ geeft aan dat men de hemel vraagt om hulp bij het volbrengen van de taak die Jezus te wachten staat.

Een tweede aspect dat tijdens de uitdeling en palmwijding beklemtoond wordt, is de triomf van Christus. Hij is degene die zal wederkeren als overwinnaar. Wie hem volgt, zal worden meegevoerd naar het hemelse Jeruzalem. Dit thema van ‘triomf’ wordt voor en na het concilie uitgedrukt door het zingen van Psalm 24,1-2.7-10 en Psalm 47 tijdens de uitdeling van de palmtakken respectievelijk de palmprocessie. Deze psalmen handelen over de grootheid van de Heer, aan wie de aarde en zijn bewoners toebehoren. God is de koning en de dappere held in de strijd.

Als evangelie tijdens de palmliturgie werd vóór Vaticanum II Matteüs 21,1-9 (de intocht in Jeruzalem) gelezen. Na het concilie voerde men het principe van de driejarige cyclus in, met als gevolg dat wij dit jaar Lucas 19,28-40 als palmevangelie lezen. De lucaanse versie van de intocht voegt elementen toe aan Matteüs 21,1-9, en dat blijkt vooral uit de verzen 39-40. Lucas vertelt in vers 39 dat er mensen zijn die niet willen dat Jezus koning wordt. Zij zijn bang voor complicaties (bijvoorbeeld problemen met de Romeinen) en vragen Jezus om zijn leerlingen te doen zwijgen. Jezus wil echter niet langer koning zijn ‘in het geheim’, maar openlijk als Messias herkend worden. Daarom antwoordt hij de Farizeeën met een citaat uit Habakuk 2,11: ‘Ik zeg u, als dezen zullen zwijgen, zullen de stenen schreeuwen’. Door dit vers te citeren maakt de evangelist duidelijk dat er geen weg meer terug is (als de mensen niet schreeuwen, dan zullen de stenen het wel doen). Deze triomftocht moet plaatsvinden omdat het past in het goddelijke heilsplan. Die gedachte wordt ook herhaald in de communiezang (Mt. 26,42: ‘Vader, als het niet mogelijk is dat deze beker voorbijgaat zonder dat ik hem drink: dat dan uw wil geschiede’).

Na de lezing van het palmevangelie volgt de palmprocessie. Vóór het concilie werd door het koor in het bijzonder psalm 147 gezongen, een lofzang voor God. De tekst beschrijft het koningschap van God en de werken die hij verricht.

Tijdens de dienst op Palmzondag blikken we niet alleen vooruit op de verrijzenis, maar herdenken we ook Jezus’ lijden, want het is tenslotte nog geen Pasen. Het nieuwe Romeins missaal drukt die gedachte uit door deze dag ‘Palm- of passiezondag’ te noemen.

De aandacht voor het lijden kwam vóór het concilie sterk tot uiting in de psalmteksten die gezongen werden bij de intrede (Ps 22,20.22.2), als tussenzang (Ps 73,24.1-3; 22,2-9.18-19.22.24.32) en tijdens het offertorium (Ps 69,21-22). Men vraagt om redding uit het lijden, klaagt God aan omdat men zich verlaten voelt en eenzaam maar geeft de moed niet op omdat men blijft vertrouwen op Gods hulp.

Vóór Vaticanum II werd op Palmzondag (zoals op de andere zondagen) naast het evangelie slechts één lezing voorgelezen, namelijk Filippenzen 2,5-11. Na het concilie blijft deze lezing behouden als tweede lezing. De tekst van Paulus blijft er ons aan herinneren dat het lijden nooit los gezien mag worden van de verrijzenis: de vernedering en verhoging van de Heer vormen een eenheid. Jezus is aan God gehoorzaam gebleven tot de dood aan het kruis. Daarom heeft God hem verheven boven alles. Jezus Christus is voortaan de verheerlijkte Heer. De uiteindelijke overwinning op de dood wordt aan het begin van de Goede Week reeds duidelijk aangekondigd. Na het concilie kiest men ervoor dit motief nogmaals te herhalen door verzen 8-9 als ‘vers voor het evangelie’ te gebruiken.

De eerste lezing wordt na het concilie genomen uit Jesaja 50,4-7, het derde lied van de dienaar van JHWH, waarin de profeet de steun belijdt die hij krijgt van God. Hij mag het woord van God verkondigen omdat hij ernaar heeft geluisterd (v. 4). Hij ondervindt wel veel moeilijkheden (v. 6-8) maar blijft trouwe aan de Heer want de Heer is zijn helper (v. 9). Men ziet vaak in vers 6 (‘mijn rug heb ik prijsgegeven aan hen die mij wilden slaan, mijn gezicht heb ik niet onttrokken aan de beschimping en bespuwing’) een aankondiging van het komende lijden van Jezus, die gegeseld, beschimpt en bespuwd zal worden. In de antwoordpsalm na de eerste lezing (Ps 22), wordt de vraag om bevrijding bezongen en wordt eenzaamheid in het lijden aangeklaagd.

Vóór het concilie nam men als evangelie jaarlijks het lijdensverhaal uit Matteüs 26-27, maar vanwege de invoering van de driejarige cyclus wordt dat dit jaar Lucas 22,14-23,56. Bij onze bespreking van het johanneïsche lijdensverhaal (Goede Vrijdag) gaan we op enkele elementen van het passieverhaal dieper in.

Witte Donderdag

De naam ‘Witte Donderdag’ herinnert aan het gebruik het kruisbeeld met een witte doek te bedekken. Oorspronkelijk stond Witte Donderdag volledig in het teken van de verrijzenis maar tijdens de middeleeuwen werd de klemtoon meer en meer op de eucharistie gelegd. Deze dag werd geleidelijk aan een dag van eucharistische aanbidding en werd daarom door de gelovigen als de belangrijkste dag van de Goede Week beschouwd. Zeker na het concilie keerde men terug naar de kern van de viering van Witte Donderdag, namelijk de viering van het laatste avondmaal ter herdenking van de verrijzenis. Bepaalde elementen uit de middeleeuwse ontwikkelingen bleven evenwel behouden, zoals bijvoorbeeld de bijzondere aanbidding op het einde van de viering.

De keuze van de bijbelteksten voor de viering van Witte Donderdag vóór Vaticanum II bleef grotendeels bewaard na het concilie. De viering begint met de intredezang van Galaten 6,14, waarin het belang van de kruisiging beklemtoond wordt. Er heerst een sfeer van vreugde en dankbaarheid voor de instelling van de eucharistie als ‘gedachtenisviering’ van het Paasmysterie en van Jezus’ liefde tot het uiterste. Tegelijkertijd wordt de sfeer getemperd door het vooruitzicht op het komende lijden en de dood.

Het ‘gedachtenis’-aspect wordt na het concilie onderstreept door de eerste lezing uit Exodus 12, waar het verloop van het joodse paasfeest beschreven wordt. De lezing eindigt met de vermelding: ‘Deze dag moet u tot een gedenkdag maken, u moet hem als een eeuwig voorschrift vieren’. In antwoordpsalm 116 wordt de liefde tot de Heer bezongen. De beker wordt geheven uit dankbaarheid voor de weldaden van de Heer (v. 13).

De tweede lezing blijft 1 Korintiërs 11, het ‘epistel’ uit de tijd vóór het concilie, zij het dat de tekst na het concilie wat ingekort wordt (11,23-26 i.p.v. 11,20-32). Paulus geeft een overlevering door die hij zelf heeft ontvangen, namelijk dat Jezus op de vooravond van zijn lijden en dood de eucharistie instelde. Hij beschouwde het vieren van deze maaltijd als een vooruitlopen op zijn komende lijden, dood en verrijzenis. Als we het brood eten en uit de beker drinken dan verkondigen wij ‘de dood van de Heer totdat hij terugkomt’ (v. 26).

Ook de evangelielezing blijft dezelfde, namelijk het verhaal van de voetwassing (Joh 13,1-15). Door de episode van de voetwassing te beschrijven, maat Johannes zijn lezers attent op Jezus’ zelfgave. Het gebeuren vindt plaat tijdens een maaltijd, wanneer het paasfeest op handen is (v. 1). De tijdsaanduiding geeft aan dat Jezus’ dood en verheerlijking aan het komende joodse paasfeest een nieuwe betekenis zullen geven. Het wassen van iemands voeten werd beschouwd als slavenwerk en was vernederend, vandaar Petrus’ protest (v. 6-8). Jezus’ handeling is een symbolische daad die zijn levenskeuze uitbeeldt. Ze schetst eveneens de houding die de leerlingen moeten aannemen wanneer Jezus teruggekeerd zal zijn naar zijn Vader. Ze moeten dienstbaar zijn en hun liefde voor elkaar duidelijk maken in hun handelingen.

Aan het einde van de dienst vond vóór het concilie nog het ritueel van de ‘ontbloting van de altaren’ plaats. De priester begaf zich bekleed met albe en paarse stool naar de altaren en terwijl hij ze ontblootte zong het koor Psalm 22. In deze psalm wordt voorspeld dat de kleren van de Messias gedeeld zullen worden. Het is een zinnebeeld van de ontkleding die Jezus tijdens zijn lijden te verwachten staat. Na Vaticanum II is dit gebruik zo goed als verwaarloosd. De altaren worden door een priester of iemand anders ontbloot als de dienst reeds voorbij is.

Goede Vrijdag

De droefheid op deze dag is zo groot dat er geen eucharistie gevierd wordt. Het lijden van Jezus staat nu centraal. De woorddienst bestaat uit twee schriftlezingen en het lijdensverhaal. Als eerste lezing koos men vóór het concilie Hosea 6,1-6. De profeet stelt de opstanding in het verschiet: ‘op de derde dag laat de Heer ons weer opstaan’ (v. 2). Na het concilie leest men het vierde lied van de dienaar van de h-Heer (Js 52,13-53,12), waarin zijn vernederingen onmetelijke lijden worden voorspeld. Vooral vers 7 is tekenend: ‘Hij heeft zijn mond niet geopend, zoals een lam dat naar de slachtbank wordt geleid’. Daardoor sluit deze lezing beter aan bij het passieverhaal van Johannes. De antwoordpsalm, Psalm 31, bezingt het vertrouwen in de Heer. In de geest van Jesaja 52-53 worden verschrikkelijke gebeurtenissen beschreven die een mens ondergaat, maar tezelfdertijd wordt een rostvast vertrouwen in de Heer weerspiegeld. De tweede lezing werd vóór het concilie genomen uit Exodus 12,1-11. Deze tekst werd na het concilie verplaatst naar Witte Donderdag. De voorschriften omtrent het eten van het paaslam en het daaraan verbonden herdenkingsmotief passen beter bij de viering van Witte Donderdag dan bij die van Goede Vrijdag. In de huidige tweede lezing, Hebreeën 4,14-16; 5,7-9, verwijst de ‘hogepriester’ naar de verheerlijkte Christus die op de proef werd gesteld. Hij verloor zijn vertrouwen in God niet en doorstond daarom de beproeving. Voortaan zal hij iedereen helpen die beproefd wordt, omdat zijn gebed om redding uit de dood door God werd verhoord. Vanwege zijn gehoorzaamheid aan God is hij voortaan in staat de mens uit de zonde en de dood te bevrijden. Het begin van vers 9: ‘toen hij tot voleinding was gekomen’, beschrijft het moment waarop Jezus verheerlijkt wordt. Deze gedacht komt in het passieverhaal van Johannes eveneens aan bod.

In zijn passieverhaal stelt Johannes Christus voor als een koning. Christus is koning over een rijk dat niet van deze wereld is (18,36). Hij stamt uit het geslacht van David, maar is niet op dezelfde manier koning als David. Hij verdedigt zijn koninkrijk niet met geweld en vlucht niet voor het komende kwaad. Integendeel, hij vervult de wil van de Vader uit eigen beweging, door zichzelf op een cruciaal moment vrijwillig over te geven. In tegenstelling tot de versie van de synoptici wordt de johanneïsche Jezus niet verraden door een kus van Judas. Jezus weet van in het begin ‘wat er hem zal overkomen’ (18,4) en hij gaat op een koninklijke wijze mee met de Romeinse soldaten en de dienaren van de hogepriesters en farizeeën die hem komen arresteren. Alvorens hij vertrekt laat hij eerst al zijn vijanden (Judas inbegrepen) voor hem buigen (18,6) omdat ze in hem hun meerdere moeten herkennen. Hij verkondigt de boodschap ‘Heb elkander lief zoals ik U heb liefgehad’ en hij doet dat door zijn leven te geven voor de anderen. Christus geeft ons het voorbeeld hoe dit moet gebeuren, door te lijden en uiteindelijk te sterven aan het kruis. Een daad die niemand hem heeft voorgedaan noch kan nadoen. Jezus de Koning sterft aan het kruis en daardoor wordt de dood geen vernedering voor hem maar verheffing en glorie. De dood wordt overwonnen en voortaan zal Christus als het Licht in de duisternis schijnen, zoals door de profeet Jesaja werd voorspeld. Na zijn aanhouding staat Jezus in dienst van zijn Vader tot aan het kruis, om na de vervulling van zijn taak op te stijgen naar de Vader. Jezus geeft zijn leven uit handen om het later in veelvoud terug te krijgen.

De Paaswake

De oude liturgie van Paaszaterdag begon met een woorddienst van twaalf schriftlezingen uit het Oude Testament (Gn 1,1-2,2; Gn 5,32-8,21a; Gn 22,1-19; Ex 14,24-15,1; Js 54,17-55,11; Bar 3,9-38; Ez 37,1-14; Js 4,2-6; Ex 12,1-11; Jona 3,1-10; Dt 31,22-30; Da 3,1-24). In de door Pius XII vernieuwde vorm van de Paaswake (1951) bleven er daar vier van over: Genesis 1,1-2,2; Exodus 14,24-15,1; Jesaja 4,2-6 en Deuteronomium 31,22-30. Na Vaticanum II werd het aantal opnieuw uitgebreid tot zeven (vijfde uit de ‘oude’ reeks en twee nieuwe, zie hieronder), waaruit men er minstens drie moet kiezen. Het verhaal van de doortocht door de Rietzee (Ex 14) moet altijd gelezen worden.

De eerste lezing is het scheppingsverhaal (Gn 1,1-2,2). De eerste zeven dagen van de schepping worden nu voltooid: Jezus heeft de nieuwe schepping ingeluid. Hij heeft de mensheid en de wereld herschapen. De eerste zonden van Adam zijn door Jezus, de nieuwe Adam, ongedaan gemaakt. De grootsheid van God en zijn schepping worden bezongen in antwoordpsalem 104.

De tweede lezing verhaalt het offer en de bevrijding van Isaak (Gn 22,1-18). Men interpreteert dit verhaal in het licht van de verrijzenis. Het offer van Isaak is een voorafbeelding van Jezus’ offerdood, zijn bevrijding een voorafbeelding van Jezus’ opstanding.

In de derde lezing wordt de doortocht van het volk van Israël door de Rietzee verhaald (Ex 14,15-15,1). Het volk moet Mozes en zijn richtlijnen volgen, zoniet dan wordt het de toegang tot het beloofde land ontzegd. Door deze tekst te lezen tijdens de paasnacht begrijpt men het verhaal van de doortocht als een voorafbeelding van de tocht van het nieuwe Godsvolk. Het water van de Rietzee is de voorafbeelding van het doopwater. Het volk trekt veilig door de zee, wordt gered van de dood en krijgt toegang tot het nieuwe leven. Als christenen het doopsel aanvaarden, wordt hun aardse leven een doortocht door de woestijn, maar door de verbintenis die zijn aangaan met God in het doopsel krijgen zij toegang tot het Leven, het hemelse Jeruzalem. Op deze lezing volgt als antwoordpsalm een gedeelte uit het lied van Mozes bij de Rietzee (Ex 15). Het lied heeft betrekking op de doortocht en bezingt de heilsdaden van God.

In de vierde lezing (Js 54,5-14) vertelt de profeet hoe God met zijn volk een verbond sluit van liefde en trouw. De vijfde, zesde en zevende lezing (Js 55,1-11; Bar 3,9-15.32-4,4; Ez 36,16-17a.18-28) zijn gekozen omwille van de doopsymboliek (‘Komt naar het water, gij allen die dorst lijdt!’, Js 55,1; ‘Ik zal zuiver water op u sprenkelen’, Ez 36,25) en roepen op om het leven te zoeken bij de ‘Bron van wijsheid’ en in ‘het Boek van Gods geboden’ (Baruch).

De wijding van het doopwater vond vóór het concilie plaats na het eerste deel van de litanie die op de lezingen uit het Oude Testament volgde. Men zong daarbij enkele verzen uit Psalm 42. Op de hernieuwing van de doopbeloften volgde het tweede deel van de litanie en pas daarna las men het epistel (Kol 3,1-4). In deze lezing wijst Paulus de gelovigen erop dat zij als verrezenen moeten leven, aangezien ze in het doopsel met Christus zijn verrezen. Na het plechtige ‘alleluia’ zong het koor enkele verzen uit Psalm 118 en 117, waarna het lege-grafverhaal uit Matteüs 28,1-7 volgde als evangelielezing.

Na Vaticanum II volgt op de lezingen uit het Oude Testament de hymne ‘Eer aan God in den hoge’ en een gebed van de priester. Daarna wordt Romeinen 6,3-11 voorgelezen. In deze passage behandelt Paulus de betekenis van het doopsel. Het verzinnebeeldt het sterven en begraven worden met Christus en het verrijzen tot een nieuw leven. Op het kruis heeft Jezus afgerekend met de zonde (v. 10). Bijgevolg heeft de gedoopte ook met de zonde gebroken. De gedoopte is voortaan geen slaaf meer van de zonde maar staat in dienst van de Heer. Op de antwoordpsalm 118 volgt het alleluia en in de C-cyclus de evangelielezing uit Lucas 24,1-12, het getuigenis bij het graf. De vernieuwing van de doopbeloften vindt plaats na de homilie. In de communiezang wordt de essentie van de viering nogmaals herhaald door het citaat uit 1 Korintiërs 5,7-8: ‘Christus, ons paaslam, is geslacht; laten wij dan feest vieren met het zuivere brood van reinheid en waarheid. Alleluia!’. Vóór het concilie werden na de communie de verkorte lauden gezongen met Psalm 150 en de lofzang van Zacharias (Lc 1,68-79). Dit gebruik werd na het concilie afgeschaft.

Conclusie

Bovenstaande bespreking heeft aangetoond dat de wijzigingen die men heeft doorgevoerd in de keuze van de bijbelteksten niet zomaar uit de lucht gegrepen zijn. Met behulp van dit overzicht krijgen we een beter inzicht in de theologische opbouw van de Goede Week. Op Palmzondag blikken we met de lezingen en het (palm-evangelie vooruit op de gebeurtenissen tijdens de komende week. Op Witte Donderdag, Goede Vrijdag en tijdens de Paasnacht maken de lezingen en het evangelie ons bewust van de nauwe band tussen de eucharistie, het kruis en de opstanding. Jezus stelt de eucharistie in tot zijn gedachtenis (Witte Donderdag). Door het brood te breken en uit de beker te drinken herdenken we zijn lijden en dood (Goede Vrijdag). Tegelijkertijd worden we eraan herinnerd dat de dood niet het laatste woord heeft. Jezus heeft de dood overwonnen door zijn offer aan het kruis. Voortaan is hij de Heer van het Leven (Paasnacht).

ezra19Dit artikel verscheen in het voormalige VBS-Informatie. In 2009, bij het begin van de 40ste jaargang, kreeg het blad een nieuwe vormgeving. Sindsdien verschijnt het onder de naam Ezra – Bijbels tijdschrift.
→ Bekijk de recentste nummers van Ezra – Bijbels tijdschrift.
 
Leden van de Vlaamse Bijbelstichting krijgen het recentste nummer van EZRA om de drie maanden gratis opgestuurd.
→ Ontdek alle voordelen van het VBS lidmaatschap.

 

Reacties zijn afgesloten.